Gelukkig is papa bij ons, anders was ik de weg bij de ingang al kwijt geraakt. Ik bevind me in een hele grote hal. Achter de ronde balie in het midden van de hal zitten allemaal mevrouwen met witte pakjes aan. Het lijkt me een goed idee om hen de weg te vragen, maar papa lijkt te weten waar hij moet zijn. Samen met mijn broertje loop ik achter hem aan. Het is begin oktober 1988. Ik ben vijf jaar oud.
De lange, witte gangen lijken eindeloos te zijn. De rijdende bedden vind ik ontzettend stoer. De zieke mensen vind ik heel zielig en, niet te vergeten, de mannen en vrouwen in witte pakken heel interessant. Samen met papa en mijn broertje zijn we in het ziekenhuis. Niet omdat er iemand ziek is, maar omdat we er een zusje bij hebben gekregen. We gaan bij mama op bezoek die nog een nachtje in het ziekenhuis moet blijven. Natuurlijk is een zusje heel interessant en is het gek dat mama in een ziekenhuis ligt, maar er zijn nog meer belangrijke zaken! Zo heeft mijn broertje ergens een rolstoel vandaan gehaald. We zijn samen nauwelijks in staat het ding in beweging te krijgen, maar als ‘ie dan rijdt dan gaat het hard! De lange witte gangen lenen zich ook uitstekend voor interessante activiteiten zoals rennen, rennen en rennen.
Na een tijdje gaan we weer weg. Mama en ons splinternieuwe zusje blijven nog even in het ziekenhuis en papa gaat met ons weer naar huis. We lopen terug naar de grote hal waar onze reis door het ziekenhuis ook is begonnen, maar in plaats van naar de uitgang te lopen slaat papa rechtsaf. We lopen naar een soort winkeltje. Ze verkopen er van alles! Snoep, drinken, maar ook speelgoedauto’s. Papa legt uit dat het vandaag feest is en dat we allebei een stuk speelgoed uit mogen zoeken. De keuze is snel gemaakt. Mijn broertje kiest een vuilniswagen en ik een soort vrachtwagen met een kar. Op die kar staat dan weer een klein autootje. Twee voor de prijs van één dus. Hoe Nederlands kun je zijn op je zesde? Ik ontvang het stuk speelgoed uit de handen van de mevrouw die achter de toonbank staat. Zij heeft ook witte kleren aan, net zoals iedereen in het ziekenhuis die zelf niet ziek is. Al die mensen in witte kleren staan me nog helder voor de geest. Ze waren allemaal hetzelfde voor mij. Het verschil tussen de receptioniste en de chirurg bestond voor mij niet. Ik zag allemaal mensen die even interessant en bijzonder zijn.
Vandaag is papa er niet bij. Mijn broertje is intussen een broer geworden en moet naar school. Ik stap de hal van het ziekenhuis in en loop naar de balie met allemaal mevrouwen in witte kleren. Ik vraag waar ik heen moet. De mevrouw in de witte kleren heeft wat tijd nodig om het antwoord op mijn, toch simpele, vraag te vinden en ik denk bij mezelf: ‘je mag dan wel dezelfde kleren dragen als een chirurg, maar je hebt duidelijk niet hetzelfde stel hersens.’ Niet echt de meest christelijke gedachte.
Nu ik er zo over nadenk baal ik ervan dat ik een stukje onschuld kwijt ben geraakt. Waarom kan ik niet naar deze mensen kijken zoals ik deed toen ik zes was? Waarom kan ik niet naar deze mensen kijken zoals Jezus dat zou doen? Jezus maakt geen verschil tussen de receptioniste en de chirurg. Hij heeft witte kleren voor iedereen. Ongeacht ras, religie, seksuele geaardheid, opleiding of beroep. Over twee weken ga ik weer naar het ziekenhuis, want daar heb ik tegenwoordig zangles. Ik bedenk met dat ik het nog steeds heel hard nodig heb dat Papa met me meegaat. Anders raakt mijn hart de weg bij de ingang al kwijt.
Het ‘Nachtlicht’ virus heeft Apeldoorn inmiddels ook bereikt. Vorige week verscheen daar een stuk over mij in de Stentor - Apeldoornse Courant en dat wil ik jullie niet onthouden! Het concert in Apeldoorn is voor mij natuurlijk al heel speciaal omdat ik er ben opgegroeid en dingen als een interview met de krant maken dit nog extra speciaal. In Apeldoorn begint komende vrijdag het laatste weekend van de Nachtlicht tour. Zorg dat je dit bijzondere concert niet mist en koop deze week nog je kaartjes via 


In het begin van 2006 stap ik uit de bus in Lisserbroek. Ik ken het plaatsje niet en de mensen die er wonen niet, op één iemand na. Die iemand is Kees Kraayenoord. Toen nog mét haar (zie foto!). Mijn rugtas vol met ideeën voor liedjes en mijn hoofd vol met mogelijke routes naar zijn huis. Als ik er uiteindelijk ben aangekomen nemen we samen plaats achter de piano in de woonkamer.
Het zal jullie niet ontgaan zijn dat Haïti is getroffen door een grote ramp. Vaak als ik over dit soort dingen hoor op het nieuws voel ik me machteloos. Machteloos omdat ik niet weet hoe ik iets kan doen voor al die mensen daar.
